Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9183

Datum uitspraak2007-11-29
Datum gepubliceerd2007-12-06
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers140100/2007-3585
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw is de rechtbank er vanuit gegaan dat het een nieuw verzoek om voorlopige voorzieningen betreft. Op grond van grond van art. 821 jo. artikel 828 Rv kan de vrouw voorlopige voorzieningen vragen tot het moment waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, op grond van art. 826 Rv haar kracht verliest. Ingevolge art. 826 lid 1 en sub c Rv verliezen de voorlopige voorzieningen hun kracht zodra de beschikking waarbij de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van een geregistreerd partnerschap is uitgesproken, is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand onderscheidenlijk het huwelijksgoederenregister, aangewezen in art. 1:116 BW, of zodra de mogelijkheid daartoe vervalt, met dien verstande dat de voorlopige voorziening bedoeld in art. 822, eerste lid, onderdeel e Rv haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 1:157 BW, indien dit verzoek is gedaan, bij toewijzing voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt dan wel bij afwijzing in kracht van gewijsde gaat. Uit de door de vrouw overgelegde brief van de burgerlijke stand van de gemeente [naam] van 11 juni 2007 blijkt dat de beschikking van 1 mei 2007 waarbij de ontbinding van het tussen partijen bestaande partnerschap is uitgesproken op 7 juni 2007 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Nu niet is betwist dat de vrouw geen (incidenteel) appel heeft ingesteld tegen de beslissing tot tijdelijke nihilstelling van de uitkering in haar levensonderhoud totdat is beslist op het verzoek tot verdeling, welke beslissing voor die periode als een (appellabele) eindbeslissing is aan te merken, is die beslissing in kracht van gewijsde gegaan en is de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek tot het (opnieuw) treffen van een voorlopige voorziening, omdat de termijn waarbinnen zij dit verzoek had kunnen doen is verstreken. Hetzelfde geldt overigens als het verzoek van de vrouw zou zijn bedoeld als een wijziging van de eerder gegeven voorlopige voorziening.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Sector Familie- en Jeugdrecht voorlopige voorzieningen zaak-/rekestnr.: 140100/2007-3585 beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 29 november 2007 in de zaak van: [verzoekster], wonende te [plaats], gemeente [naam], hierna mede te noemen: de vrouw, procureur: mr. A. Khan, -- tegen -- [verweerder], wonende te [plaats], gemeente [naam], hierna mede te noemen: de man, procureur: mr. A.K. Oostlander-Vos. 1 Verloop van de procedure Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken: - het op 2 november 2007 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw; - het op 12 november 2007 ontvangen verweerschrift met bijlagen van de man; - de brief van 14 november 2007 met bijlagen van de procureur van de man; en het verhandelde ter terechtzitting op 15 november 2007 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun raadslieden. 2 Beoordeling 2.1 De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat de man met ingang van 1 mei 2007 een bijdrage in haar levensonderhoud betaalt van € 700,-- per maand. Bij eerdere beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 23 november 2006 was de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vastgesteld op € 75,-- per maand. Bij beschikking van deze rechtbank van 1 mei 2007 is tussen partijen de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken en is de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw tijdelijk op nihil gesteld totdat na afwikkeling van de boedelverdeling daarover definitief wordt beslist. De vrouw voert aan dat nu de man appel heeft ingesteld tegen de door de rechtbank bij beschikking van 1 mei 2007 vastgestelde peildatum, de verdeling van de boedel wordt vertraagd. De vrouw stelt dat zij hierdoor wordt benadeeld omdat partijen altijd in een redelijke mate van welstand hebben geleefd en zij zonder een bijdrage van de man niet in haar levensonderhoud kan voorzien. Zij heeft naast haar geringe inkomsten uit haar parttime dienstverband, geen andere bron van inkomsten. 2.2 De man stelt dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen als zijnde niet-ontvankelijk dan wel ongegrond. De man voert daartoe aan dat de vrouw slechts voorlopige voorzieningen kan vragen tot het moment waarop een voorlopige voorziening op grond van art. 826 Rv haar kracht verliest. De beschikking ontbinding geregistreerd partnerschap van 1 mei 2007 is op 7 juni 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [naam], zodat op dat moment het geregistreerd partnerschap is ontbonden. Omdat door de vrouw geen (incidenteel) appel is ingesteld tegen de beslissing van 1 mei 2007 omtrent de bijdrage in haar levensonderhoud, is de beslissing van 1 mei 2007 ter zake van de bijdrage in haar levensonderhoud in kracht van gewijsde gegaan. Hierdoor is de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw definitief geworden en hebben de voorlopige voorzieningen hun kracht verloren. 2.3 De man verzoekt voorts de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure omdat zij in strijd met de wettelijke regeling een verzoek voorlopige voorzieningen heeft ingediend en de man onnodig kosten heeft moeten maken om verweer tegen dit verzoek te kunnen voeren. 2.4 Bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw is de rechtbank er vanuit gegaan dat het een nieuw verzoek om voorlopige voorzieningen betreft. Op grond van grond van art. 821 jo. artikel 828 Rv kan de vrouw voorlopige voorzieningen vragen tot het moment waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, op grond van art. 826 Rv haar kracht verliest. Ingevolge art. 826 lid 1 en sub c Rv verliezen de voorlopige voorzieningen hun kracht zodra de beschikking waarbij de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van een geregistreerd partnerschap is uitgesproken, is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand onderscheidenlijk het huwelijksgoederenregister, aangewezen in art. 1:116 BW, of zodra de mogelijkheid daartoe vervalt, met dien verstande dat de voorlopige voorziening bedoeld in art. 822, eerste lid, onderdeel e Rv haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 1:157 BW, indien dit verzoek is gedaan, bij toewijzing voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt dan wel bij afwijzing in kracht van gewijsde gaat. Uit de door de vrouw overgelegde brief van de burgerlijke stand van de gemeente [naam] van 11 juni 2007 blijkt dat de beschikking van 1 mei 2007 waarbij de ontbinding van het tussen partijen bestaande partnerschap is uitgesproken op 7 juni 2007 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Nu niet is betwist dat de vrouw geen (incidenteel) appel heeft ingesteld tegen de beslissing tot tijdelijke nihilstelling van de uitkering in haar levensonderhoud totdat is beslist op het verzoek tot verdeling, welke beslissing voor die periode als een (appellabele) eindbeslissing is aan te merken, is die beslissing in kracht van gewijsde gegaan en is de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek tot het (opnieuw) treffen van een voorlopige voorziening, omdat de termijn waarbinnen zij dit verzoek had kunnen doen is verstreken. Hetzelfde geldt overigens als het verzoek van de vrouw zou zijn bedoeld als een wijziging van de eerder gegeven voorlopige voorziening. Met betrekking tot het verzoek tot veroordeling in de proceskosten 2.5 De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel dat de proceskosten tussen partijen als voormalig geregistreerd partners worden gecompenseerd, in dier voege dat ieder de eigen kosten draagt. Het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure zal dan ook worden afgewezen. 3 Beslissing De rechtbank: 3.1 Verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek. 3.2 Wijst af het anders of meer verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Kok en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 29 november 2007, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier.